Veelgestelde vragen

Jeugddelinquentie

Ambulant

Tijdens en voor de voorbereidende rechtspleging kan de jeugdrechter een minderjarige verdachte een ambulante maatregel opleggen:

  • een behandeling bij een dienst voor psychologische of psychiatrische hulp, seksuele opvoeding of alcohol- of drugsverslaving
  • een delictgerichte contextbegeleiding voor breedsporige ondersteuning van de minderjarige en alle relevante betrokkenen uit zijn gezins- en opvoedingsmilieu en andere belangrijke levensdomeinen. Onderbouwde methodieken werken in op het gedrag van de minderjarige en de gevolgen ervan en voorkomen herhaling.

Tijdens en voor de voorbereidende rechtspleging kan de jeugdrechter een minderjarige verdachte ook als voorwaarde opleggen om de richtlijnen te volgen van een ambulant centrum voor de geestelijke gezondheidszorg, voor seksuele opvoeding of een centrum voor de behandeling van alcohol- of drugsverslaving.

Dezelfde mogelijkheden van een ambulante sanctie en voorwaarden kunnen in de fase ten gronde worden opgelegd door de jeugdrechtbank (artikel 33 en 34 decreet). De maximale duur bedraagt in de fase ten gronde twee jaar.

Residentieel

Bij de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg (federaal gefinancierde kinder- en jeugdpsychiatrie) is het belangrijk om goede praktijken verder te zetten. Deze projecten kunnen een indicatie geven van achterliggende geestelijke gezondheidsproblemen.

Na overleg tussen de jeugdmagistratuur en Zorgnet Icuro blijkt dat artikel 39 van het decreet jeugddelinquentierecht hier onvoldoende een kapstok voor biedt:

  • de vereiste van een geestesstoornis;
  • de vereiste van een onafhankelijk verslag van maximaal 1 maand oud;
  • dit kan enkel ten gronde.

Na de evaluatie van For-K (voorzien in 2021) zal er in samenwerking met de federale overheid onderzocht worden hoe artikel 39 van het decreet vorm kan krijgen. Er wordt dan bekeken welke doelgroep in aanmerking komt (gesloten unit high care high risk) en hoe dit artikel juridisch vorm moet krijgen.

Via het wijzigingsdecreet van 19 juni 2020 wordt de mogelijkheid om een minderjarige toe te vertrouwen aan een For-K dienst opnieuw voorzien als reactiemogelijkheid binnen het decreet jeugddelinquentierecht, zowel in voorlopige fase als ten gronde. . De totale behandelingsduur in een For-K bedraagt maximaal 12 maanden (voorlopige fase en fase ten gronde samen). Het vereist een psychiatrische evaluatie door een psychiater die verbonden is aan de For-K om te bepalen of, en welke, behandeling geschikt is voor de minderjarige.

Dit wordt ingevuld in een uitvoeringsbesluit door de Vlaamse Regering dat nog wordt opgesteld. Dit is een nieuw accent binnen het decreet om de positie van het slachtoffer centraal te stellen.

Duur van de voorbereidende rechtspleging

De voorbereidende rechtspleging wordt zo kort mogelijk gehouden om de rechtswaarborgen van de minderjarige te verzekeren. Alle actoren die betrokken zijn bij het decreet zijn hier mee verantwoordelijk voor. De maatregelen die tijdens deze voorbereidende fase worden opgelegd, dienen om tijdens de rechtspleging, en in afwachting van de beslissing ten gronde, een onderzoeksmaatregel of maatregel van bewaring te kunnen uitvoeren voor de minderjarige.

Volgens het Openbaar Ministerie en de jeugdrechters is een vonnis op zes maanden niet haalbaar. Tussen het einde van de onderzoeksfase en het vonnis ten gronde is er nog de periode van de dagvaardingstermijn (tijd nodig om een dagvaarding op te maken) en de behandeling van de zaak.

Via het wijzigingsdecreet van 17 juli 2020 (inwerkingtreding op 17 augustus 2020) wordt de maximale duur van de voorlopige rechtspleging daarom principieel vastgelegd op maximaal negen maanden. De  voorbereidende rechtspleging start met de vordering van het openbaar ministerie tot en eindigt met het vonnis van de jeugdrechtbank. Het verduidelijkt dat de dagvaardingstermijn in de termijn van de voorbereidende rechtspleging is inbegrepen.

De termijn van de voorbereidende rechtspleging wordt geschorst:

  • tussen de datum van neerlegging van de akte van hoger beroep en de datum van de uitspraak van het arrest;
  • voor de duur van het uitstel tussen de inleidende zitting en het in beraad nemen van de zaak.

Ook wanneer tijdig wordt gedagvaard, maar de zaak niet op de inleidende zitting kan behandeld worden omwille van uitstel op verzoek van de minderjarige, zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken, de advocaat of de jeugdrechter, moet de continuïteit van de maatregel gegarandeerd kunnen worden.

Het beperken van de voorbereidende fase tot maximaal negen maanden wordt als uitgangspunt vooropgesteld.

De uitzonderingen voor verlenging van de voorbereidende rechtspleging per maximaal 3 maanden , worden decretaal expliciet aangegeven en moeten gemotiveerd worden na de minderjarige verdachte, zijn ouders of zijn opvoedingsverantwoordelijken te hebben opgeroepen:

1° het onderzoek naar de feiten of een deskundigenonderzoek naar de persoonlijkheid van de minderjarige verdachte is nog niet afgerond;
2° het jeugddelict waarvan de minderjarige verdacht wordt, is een feit dat, als het zou zijn gepleegd door een meerderjarige, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een opsluiting van vijf jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben.

De voorbereidende rechtspleging kan maximaal twaalf maanden bedagen als één voorwaarde is vervuld. Zijn beide vervuld? Dan is de termijn maximaal twee jaar. Na die twee jaar kan er maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden. De jeugdrechter beslist of dit noodzakelijk is en motiveert deze beslissing nadat de minderjarige, zijn ouder(s) of opvoedingsverantwoordelijke zijn opgeroepen.

Duur en verlenging van de maatregelen tijdens de voorbereidende rechtspleging

Duur

De duur van een voorwaarde of ambulante maatregel bedraagt volgens de letter van het decreet maximaal één jaar. Gelet op de principiële duur van de voorbereidende rechtspleging van maximaal 9 maanden, alsook de finaliteit van de maatregelen tijdens de voorbereidende rechtspleging (onderzoeksfase met een ‘oriënterende invulling en uitvoering) kan een alternatieve maatregel initieel echter maximaal worden opgelegd voor de duur van de voorbereidende rechtspleging, dus voor 9 maanden.

De verlenging na negen maanden is niet automatisch, ook niet bij zware feiten. Artikel 21 § 2, vierde lid bepaalt dat er voor het verstrijken van de negen maanden een gemotiveerde beschikking van de jeugdrechter nodig is voor de verlenging van de voorlopige rechtspleging. In dezelfde beschikking wordt ook de maatregel verlengd.

Vanuit dat oogpunt werd met de magistratuur de werkafspraak gemaakt om het naleven van voorwaarden of een ambulante maatregel in de praktijk op te leggen vanaf de datum van de beschikking en maximaal totdat de voorbereidende rechtspleging is verstreken.

Na het verstrijken van negen maanden zijn er dus twee opties:

  1. De duur van de voorlopige rechtspleging wordt verlengd door één van de decretale uitzonderingsgronden. De maatregel kan dan ook verlengd worden per periode van maximaal drie maanden.
  2. De duur van de voorlopige rechtspleging wordt niet verlengd en de maatregel vervalt. Er kan enkel nog ten gronde worden gereageerd.

Het toevertrouwen van een minderjarige verdachte aan een forensische kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis, kan initieel voor een termijn van maximaal zes maanden.

Voor plaatsingen in een gemeenschapsinstelling blijft, tot op het moment van de inwerkingtreding van de bepalingen over de gesloten oriëntatie en de gesloten begeleiding, de regeling op basis van de Jeugdbeschermingswet 1965. , (inclusief de termijn en verlenging[1]). Als de gesloten begeleiding in werking treedt, kan deze maximaal per 3 maanden worden opgelegd;

Verlenging

Zolang de voorbereidende rechtspleging duurt, kan de jeugdrechter een lopende maatregel verder laten lopen of verlengen volgens de modaliteiten en de termijnen die decretaal expliciet zijn aangegeven.

Nadat de minderjarige verdachte, zijn ouder(s) of zijn opvoedingsverantwoordelijken zijn opgeroepen kan een maatregel dan worden verlengd met een bijzondere gemotiveerde beslissing. Binnen de termijn van maximaal twee jaar vanaf de vordering, vermeld in artikel 14, kan de maatregel maximaal per drie maanden opeenvolgend worden verlengd. Na deze termijn kan de maatregel maximaal per maand opeenvolgend verlengd worden.

Opm. Voor plaatsingen in een gemeenschapsinstelling blijft, tot aan de inwerkingtreding van de gesloten begeleiding van maximaal drie maanden opeenvolgend, de huidige regeling in de Jeugdbeschermingswet van toepassing.

Specifiek voor de For-K geldt een afwijking wat het aantal verlengingen betreft: de totale behandelingsduur in een For-K (in de voorlopige fase en de fase ten gronde samen) is maximaal twaalf maanden. Na de initiële termijn van maximaal zes maanden is er een psychiatrische evaluatie. Als blijkt dat een verlenging noodzakelijk is, kan de maatregel maximaal tweemaal worden verlengd met een termijn van maximaal drie maanden.

Wanneer de maximale termijn van de voorbereidende rechtspleging is verstreken, vervalt de maatregel. Wordt de jongere gedagvaard, zal de jeugdrechtbank zich ten gronde kunnen uitspreken (bepalen of de jongere zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten) en kan hij de gepaste sanctie opleggen (bijvoorbeeld een vervolg van de ambulante reactie maar dan als sanctie).

Specifiek voor plaatsingen in de gemeenschapsinstelling is het mogelijk om ook na het verstrijken van de voorbereidende rechtspleging de maatregel te verlengen. Dit kan, omwille van vereisten van openbare veiligheid, tot op het moment van het vonnis met telkens met een termijn van maximaal één maand.

Herziening

Een jeugdrechter kan ten allen tijde (en dus ook in de voorbereidende fase) subsidiariteit inschakelen en een lopende maatregel wijzigen in een minder ingrijpende maatregel of intrekken.

____________________________________________________________________________

[1] Voor een verblijf in een open opvoedingsafdeling is geen maximumtermijn voorzien in de wet. Meestal wordt dit voor zes maanden opgelegd, maar dit kan dus wel verlengd worden tot aan de leeftijd van 18 jaar. De termijn van een verblijf in een gesloten opvoedingsafdeling wordt geregeld door artikel 52quater van de Jeugdbeschermingswet, nl. ten hoogste drie maanden. Deze maatregel kan slechts éénmaal worden verlengd, en dit pas nadat er een medisch-psychisch verslag over de jongere werd opgesteld De maatregel kan nadien echter ook elke maand worden verlengd bij een gemotiveerde beslissing van de jeugdrechter, wanneer dit gegrond is op "ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van de openbare veiligheid of eigen zijn aan de persoon van betrokkene.

Deze jongere krijgt geen prioriteit en zal de gangbare aanmeldingsafspraken bij de erkende dienst moeten doorlopen. We verwijzen ook naar de nieuwe mogelijkheden van de eerstelijnspsychologische functie binnen 1 Gezin 1 Plan.

Het duidelijk positioneren van de jeugdhulpverlening en de reactie op het jeugddelict betekent zeker niet dat jongeren die jeugddelicten plegen geen toegang hebben tot de jeugdhulpverlening. Het houdt enkel in dat de jeugdhulpverlening en de reactie op het jeugddelict vanuit een specifiek kader met verschillende uitgangspunten vorm krijgt. Er zal prioritair ingezet worden op een vlotte verbinding tussen jeugdhulpverlening en de reactie op jeugddelicten.

Binnen een vrijwillig kader staat een reactie op een gepleegd delict dergelijke hulpverlening niet in de weg. Dit kan bijvoorbeeld door een oriëntatie naar een rechtstreeks toegankelijk jeugdhulpaanbod of door aanmelding van situaties met een vermoeden van maatschappelijke noodzaak bij een gemandateerde voorziening.

Is er nood aan gedwongen hulpverlening? Het Openbaar Ministerie kan de zaak dan doorverwijzen naar de jeugdhulpverlening op grond van artikel 41 1° van het decreet integrale jeugdhulp. Bij een doorverwijzing door een gemandateerde voorziening naar het parket kan de jeugdrechter worden ingeschakeld. Bij een hoogdringende situatie wordt de jeugdrechter onmiddellijk ingeschakeld op grond van artikel 47 2° van het decreet integrale jeugdhulp.

De functie "beveiligend verblijf" is niet-rechtstreeks toegankelijk. Het decreet sluit niet uit dat ook een jongere zonder beslissing van de jeugdrechter gebruik zal kunnen maken van het aanbod beveiligende opvang. Er loopt een traject van visievorming samen met de initiatiefnemers dat duidelijkheid zal brengen met betrekking tot criteria voor instroom.

In de rondzendbrief betreffende beveiligend verblijf wordt er expliciet aandacht besteed aan de uitbouw van gerichte samenwerkingsafspraken met cruciale partners. De geestelijke gezondheidszorg is daar een van. We verwijzen ook naar de recente versterking van de outreach-initiatieven vanuit de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg naar de jeugdhulp.

Vlaanderen koos er niet voor om de ouderstage als reactie in te schrijven in het decreet jeugddelinquentierecht. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kan een ouderstage opgelegd worden voor een Nederlandstalige minderjarige. De uitvoeringsafspraken worden uitgewerkt in een samenwerkingsakkoord tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gemeenschappen.

Het decreet biedt wel kapstokken (cf. artikel 17, §2: ‘rond werken met ouders na een gesloten begeleiding’ en artikel 18, §1: ‘opleggen om met de ouders,… te werken’) om ook de ouders en opvoedingsverantwoordelijken van de minderjarige (vermoedelijke) delictpleger actief te betrekken bij de reactie op het jeugddelict.

Wanneer de ouder(s), wettelijke vertegenwoordiger of opvoedingsverantwoordelijke onaangepast reageren op het gedrag van de minderjarige (vermoedelijke) delictpleger, moet het mogelijk zijn om een dwingend appél te doen op hun verantwoordelijkheid en hen te ondersteunen in het (leren) omgaan met het gedrag van de betrokken minderjarige.

Dit is een opdracht voor de uitvoerende dienst, die verder uitgewerkt zal worden in een nog te nemen uitvoeringsbesluit door de Vlaamse Regering. De bestaande goede praktijk van de ‘gedeelde trajecten’ en de afspraken tussen publieke en private aanbod (inzake vervolg na gesloten begeleiding) worden ook in dat uitvoeringsbesluit verwerkt.

In artikel 39 van het decreet jeugddelinquentierecht worden voorwaarden gesteld in functie van toelaatbaarheid tot het jeugdpsychiatrisch aanbod. Een van de vereisten is, bijvoorbeeld, een onafhankelijk verslag van een jeugdpsychiater dat minder dan een maand oud is. Hieruit moet blijken dat het oordeelsvermogen of het vermogen tot beheersen van zijn handelingen van de minderjarigen is aangetast. De aanwezigheid van een geestesstoornis moet blijken uit een psychiatrisch verslag.

Voor de uitvoering van dit artikel is overleg en samenwerking met de federale overheid nodig. Dit zal ingevuld worden in een nog te nemen uitvoeringsbesluit door de Vlaamse Regering.

Neen, de alleenstaande ondertoezichtstelling is niet meer mogelijk als reactie op zich. Een maatregel of sanctie (met uitzondering van de berisping) gaan wel steeds gepaard met een ondertoezichtstelling door de sociale dienst jeugdrechtbank.

Pleegt een minderjarige onder twaalf jaar ‘strafbare feiten’ dan is er geen reactie op grond van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht mogelijk. Het decreet bepaalt: op kinderen jonger dan twaalf jaar die een delict plegen of ervan verdacht worden, rust een vermoed van niet-verantwoordelijkheid (artikel 4). Op basis van het decreet kunnen wel gedwongen, begeleidende maatregelen worden genomen bij een verontrustende situatie.

De ondergrens voor een reactie op grond van het decreet jeugddelinquentierecht is vastgelegd op twaalf jaar . Hiermee wordt gevolg gegeven aan artikel 40 van het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) die de lidstaten uitnodigt een minimumleeftijd vast te stellen onder dewelke kinderen niet in staat worden geacht een strafbaar feit te begaan. Dit ligt in lijn met de gemiddelde minimumleeftijd in andere Europese landen. Zo hanteren Noorwegen en Denemarken een ondergrens van 15 jaar, in Duitsland 14 jaar, Frankrijk 13 jaar en Nederland ook 12 jaar.

Op basis van de gepleegde feiten kan men doorverwijzen naar de vrijwillige jeugdhulpverlening (decreet integrale jeugdhulp). Dit kan bijvoorbeeld door een oriëntatie naar een rechtstreeks toegankelijk jeugdhulpaanbod of door aanmelding van situaties met een vermoeden van maatschappelijke noodzaak bij een gemandateerde voorziening.

Is er nood aan gedwongen hulpverlening? Het Openbaar Ministerie kan de zaak dan doorverwijzen naar de jeugdhulpverlening op grond van artikel 41 1° van het decreet integrale jeugdhulp. Bij een doorverwijzing door een gemandateerde voorziening naar het parket kan de jeugdrechter worden ingeschakeld bij gebrek aan vrijwilligheid. Bij een hoogdringende situatie wordt de jeugdrechter onmiddellijk ingeschakeld op grond van artikel 47 2° van het decreet integrale jeugdhulp.

De module “delictgerichte contextbegeleiding” is niet-rechtstreeks toegankelijk en kan enkel op basis van een doorverwijzing door de jeugdrechter en jeugdrechtbank voor een minderjarige verdachte of delictpleger. De introductie van de delictgerichte uitbreiding in 2019 gaat over 50 modules en bijkomend 38 modules door ombouw. Dus 88 modules, waardoor op jaarbasis 176 jongeren worden begeleid.

Dankzij tijdelijke extra middelen in het kader van coronamaatregelen, werd hier bijkomend (voor 1 jaar van juli 2020) nog eens 60 modules aan toegevoegd. Deze zijn na advies te koppelen aan een kortverblijf van maximaal veertien dagen in de gemeenschapsinstellingen.

Een “delictgerichte contextbegeleiding” kan enkel ingezet worden als reactie op een delict en dit onder de vorm van een ambulante maatregel of sanctie, op zichzelf staand of in combinatie met een gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling.

Beveiligend verblijf wordt ingezet op basis van een ernstige verontrustende situatie. Op basis van het decreet integrale jeugdhulp is het inzetten van een “delictgerichte contextbegeleiding” als uitstroom geen logische constructie.

De inzet van de modules “contextbegeleiding kortdurend intensief” die erkend werden specifiek voor de uitstroom uit de gemeenschapsinstellingen of voor het organiseren van parallelle trajecten, kunnen als voorheen ingezet worden om de uitstroom uit de gemeenschapsinstellingen te faciliteren.

De impact van het decreet jeugddelinquentierecht en het gebruik van de gemeenschapsinstellingen en de uitstroomcapaciteit wordt goed gemonitord. Als blijkt dat er een overaanbod is aan “contextbegeleiding kortdurend intensief” die aan de gemeenschapsinstellingen gekoppeld is, wordt verkend of deze capaciteit ook ingezet kan worden om uitstroom uit beveiligend verblijf te ondersteunen.

Het huidige reguliere residentiële private aanbod richt zich voor het overgrote deel tot kinderen en jongeren in een ernstige verontrustende situatie. Voor de publieke instellingen scheiden we VOS-jongeren en jeugddelinquentie. Dit principe geldt ook voor het huidige reguliere residentiële aanbod. Dit aanbod is enkel toegankelijk op basis van een VOS-vordering als het gerechtelijke jeugdhulpverlening betreft.

Artikel 26 § 4, lid 3 uit het decreet jeugddelinquentierecht voorziet momenteel niet dat na een negatief advies tot gesloten begeleiding nog een positief project kan worden opgelegd.

De afweging om de jongere een positief project te laten uitwerken gaat vooraf aan een plaatsing in de gemeenschapsinstelling. Voorwaarden of een ambulante maatregel zijn wel mogelijk na een negatief advies tot gesloten begeleiding. Een leerproject, een gemeenschapsdienst,… kunnen dus wel onder de vorm van voorwaarden worden opgelegd, want op niveau van jeugdrechter of jeugdrechtbank zijn deze voorwaarden niet limitatief.

Voor jongeren die verblijven in een gemeenschapsinstelling, waarvan er sprake is van een jeugddelict maar ook van een verontrustende situatie, kunnen we verwijzen naar de 3de vorderingsgrond (indien gedwongen hulpverlening t.a.v. de verontrustende situatie noodzakelijk wordt geacht) of naar de mogelijkheid om aan te melden bij een gemandateerde voorziening (in geval van maatschappelijke noodzaak). Dit biedt flexibele mogelijkheden om gedeelde trajecten op te zetten tussen de gemeenschapsinstellingen en private partners waarbij de aanwezige VOS verder kan begeleid worden.

Het decreet voorziet in artikel 89 uitdrukkelijk in een gefaseerde aanpak. De Vlaamse Regering bepaalt ook de nodige randvoorwaarden om de artikelen betreffende de gesloten oriëntatie en begeleiding in werking te stellen. De uiterste datum is vastgelegd op 1 september 2022. Tot die datum zal een gefaseerde transitie gebeuren waarbij de VOS-capaciteit in de gemeenschapsinstellingen geleidelijk afgebouwd en in de private voorzieningen geleidelijk opgebouwd wordt. Zo blijft de netto-capaciteit voor VOS-jongeren ook tijdens de transitie gelijk.

Na de transitie blijft een plaatsing in de gemeenschapsinstellingen voor VOS-jongeren voor een time-out op basis van het decreet integrale jeugdhulp natuurlijk nog mogelijk.

De langdurige gesloten begeleiding is en blijft een alternatief voor de uithandengeving. De voorwaarden zijn dus naar analogie van de uithandengeving.

Idem voor de terbeschikkingstelling. De jeugdrechtbank kan de terbeschikkingstelling alleen opleggen nadat zij een maatschappelijk en medisch-psychologisch onderzoek heeft laten verrichten door een multidisciplinair samengesteld team. De regels voor de opmaak en de inhoud van het medisch-psychologisch verslag worden bepaald in een te nemen uitvoeringsbesluit door de Vlaamse Regering.

Hieraan zal in een latere fase bij besluit van de Vlaamse regering uitvoering moeten worden gegeven.

Aan elk VOS-traject waarbij een minderjarige verblijft in een residentiële voorziening is automatisch een contextbegeleiding gekoppeld. Deze begeleiding kan verder lopen en op maat ingezet worden wanneer de minderjarige wordt toevertrouwd aan de gemeenschapsinstelling.

Het werken met voorwaarden binnen het decreet betreffende jeugddelinquentie verbindt het aanbod van (jeugd)hulpverlening aan de reactie op een jeugddelict. Het systeem focust niet alleen op het gepleegde jeugddelict, maar houdt ook rekening met de persoonlijkheid en leefomgeving van de minderjarige verdachte of delictpleger.

De voorwaarden en de maatregel of sanctie bij niet -naleving van de voorwaarden worden tegelijk bepaald. Dergelijk stelsel biedt helderheid voor betrokkenen én een kans voor de minderjarige om zich vooralsnog te engageren tot een hulpverlenend aanbod.

Op niveau van het Openbaar Ministerie betreft het werken met voorwaarden steeds een onderhandeld en vrijwillig aanbod

Enkele voorbeelden:

  • een zinvolle dagbesteding;
  • positieve heroriëntering;
  • deelname aan een programma rond weerbaarheid.

Dit aanbod kan als ‘het rechtstreeks toegankelijk jeugdhulpaanbod’ omschreven worden, maar we moeten het “aanmelden bij een door de gemeenschap georganiseerde dienst voor hulpverlening” niet limitatief beschouwenp>

Een niet-gehomologeerd bemiddelingsakkoord is een overeenkomst tussen twee partijen, die geen uitvoerbare kracht heeft. Als een van de partijen zijn engagement niet nakomt, kunnen ze niet gedwongen worden om dit uit te voeren op basis van de overeenkomst. Hiervoor is een bijkomende stap nodig:  de homologatie van het bemiddelingsakkoord door de rechter. Dit is niet standaard, maar kan op verzoek van de partijen. De rechter kijkt dan na of het akkoord rechtsgeldig tot stand is gekomen en verleent hier uitvoerbare kracht aan. Dit betekent dat de overeenkomst via een gerechtsdeurwaarder gerechtelijk uitgevoerd kan worden.

Vroeger moest het slachtoffer zich voor homologatie wenden tot de burgerlijke rechtbank, met bijkomende (advocaats- en gerechts)kosten tot gevolg. Nu kan dit eenvoudig en gratis door een verzoek tot homologatie in te dienen bij de parketmagistraat. Die legt dit voor aan de jeugdrechter.

Ook al wordt er een verzoek tot homologatie ingediend, het bemiddelingsproces is nog steeds vrijwillig. Het is een vrije keuze van de jongere en de ouders om een akkoord af te sluiten. De advocaat van de jongere zorgt ervoor dat de jongere voldoende inzicht heeft in de gevolgen van het akkoord en een geïnformeerde keuze maakt. Vanaf dat het akkoord is afgesloten, verbinden de partijen zicht ertoe om het uit te voeren. Ze kunnen dan ook hiertoe verplicht worden.

De oproep is breed, intersectoraal verspreid en staat uitdrukkelijk ook open voor initiatieven uit andere sectoren. Het Vlaams agentschap voor Personen met een Handicap is ook betrokken omdat er handicapspecifieke expertise nodig is voor sommige jongeren. We verwijzen ook naar de inkanteling (vanaf 2020) van de gedrags- en emotionele stoornissen plus (GES+) en observatie en behandelcentra (OBC) capaciteit in het agentschap Opgroeien.

De doelgroepomschrijving van de beveiligende opvang benoemt ook duidelijk jongeren met een verstandelijke beperking. Dit betekent niet dat elke setting elke problematiek aan moet kunnen, wel dat er overheen de verschillende settings verschillende specialismen moeten zijn, en dat hierover tussen de settings afgestemd moet worden.

Het idee achter een positief project is dat het steeds een initiatief is van de jongere. Het parket of de jeugdrechter/jeugdrechtbank kan een minderjarige ook voorstellen om een positief project uit te werken.

Het positief project is een nieuwe reactie die gericht is op het herstel van de gevolgen van het gedrag of het jeugddelict en/of de veroorzaakte schade en de re-integratie van de minderjarige bevordert. Het initiatief laat men zoveel als mogelijk bij de jongere. Het kan bestaan uit:

  • deelname aan een herstelrechtelijk aanbod
  • een prestatie
  • deelname aan een programma of leerproject
  • volgen van een opleiding
  • uitvoeren een georganiseerde activiteit
  • uitvoeren van een taak
  • een gemeenschapsdienst
  • schrijven van een brief aan het slachtoffer

De begeleiding van de minderjarige is een nieuwe opdracht voor de diensten herstelgerichte en constructieve afhandeling (HCA) en wordt opgenomen in hun reguliere financiering:

  • actief en laagdrempelig informeren van de jongere en zijn context over het aanbod;
  • actieve procesbegeleiding bij totstandkoming van het positief project;
  • opvolging waarborgen tijdens uitvoeringsfase;
  • zeker zijn van de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van de personen die eraan deelnemen;
  • rapporteren (ook over inzet).

Het decreet geeft de voorkeur aan herstelrechtelijk aanbod zowel in de fase van de voorbereidende rechtspleging als in de fase ten gronde. Indien er geen aanbod wordt gedaan, moet dit gemotiveerd worden. Ook op niveau het Openbaar Ministerie is er een verplicht bemiddelingsaanbod als aan de voorwaarden is voldaan: slachtoffer is gekend en de minderjarige ontkent de feiten niet.

Het decreet sluit niet uit dat een herstelrechtelijk aanbod samen met een maatregel of sanctie wordt gebruikt. Ook kan het deelnemen aan herstelrechtelijk aanbod een onderdeel uitmaken van een positief project.

Een herstelgericht groepsoverleg (Hergo) is een overleg op niveau van de jeugdrechter of jeugdrechtbank tussen de minderjarige verdachte of delictpleger, het slachtoffer, hun sociale omgeving en alle dienstige personen.

Tijdens dit overleg gaan de jongere, zijn ouders en steunfiguren op zoek naar een constructieve oplossing voor de gevolgen van het jeugddelict (zowel materieel als relationeel). Het slachtoffer, de consulent van de sociale dienst jeugdrechtbank, de advocaat en de politie worden hierbij betrokken. Een onpartijdige bemiddelaar modereert het groepsoverleg en zorgt dat de vier principes worden gerespecteerd: vrijwilligheid , meerzijdige partijdigheid, vertrouwelijkheid en transparantie.

In een leerproject volgen jongeren een vormingsprogramma afgestemd op de doelgroep, individueel of in groep (vb. leerproject op maat, drugs, seksueel grensoverschrijdend gedrag , …).

Er wordt gewerkt rond het bewust worden van de eigen keuzes, waardoor de jongere leert om meer verantwoordelijkheid voor eigen daden op te nemen. In elk leerproject wordt er ruimte gemaakt voor de jongere om stil te staan bij zichzelf, de eigen omgeving en het eigen handelen.

Het volgen van een leerproject kan onderdeel uitmaken van een positief project.

Het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht voorziet verschillende reactiemogelijkheden voor minderjarige verdachten en delictplegers met het oog op het werken rond seksuele opvoeding en de problematiek van alcohol en drugs.

  • Het Openbaar Ministerie ( de Procureur des Konings) handelt dit af in de vorm van ‘voorwaarden’, met het engagement en uitdrukkelijke instemming van de minderjarige:
    • Niet-residentiële/ambulante maatregelen: de minderjarige moet de richtlijnen volgen van een centrum voor geestelijke gezondheidszorg, een centrum voor seksuele opvoeding of een centrum voor de behandeling van alcohol- of drugsverslaving (maximaal dertig uur). Er kan wel vrijwillig een opname gebeuren als onderdeel van een behandeling of programma (bijvoorbeeld bij verslaving).
    • Een leerproject, aangeboden door een dienst herstelgerichte en constructieve afhandeling (HCA): een traject met verdachten of daders van seksuele delicten of drugsgerelateerde feiten. Deze trajecten moeten zorgen voor een nieuw inzicht bij de minderjarige en zijn niet echt een behandeling.
    • Het aanmelden bij een door de gemeenschap georganiseerde dienst van hulpverlening: bij problematiek van seksuele opvoeding, drugs- of alcoholverslaving. Dit kan een ambulante- of groepsbegeleiding zijn rond weerbaarheid of het preventief omgaan met verslavings- of andere hulpvragen.
  • Tijdens en voor de voorbereidende rechtspleging, kan de jeugdrechter een ambulante maatregel of voorwaarde opleggen:
    • Een behandeling: bij een psychologische of psychiatrische dienst, een dienst voor seksuele opvoeding, een dienst voor alcohol-of drugsverslaving of een contextbegeleiding voor breedsporige ondersteuning van de minderjarige en zijn context, waarbij wordt gewerkt met onderbouwde methodieken werken in op het gedrag van de minderjarige en herhaling moeten voorkomen.
    • Een leerproject: een traject met verdachten of daders van seksuele delicten of drugsgerelateerde feiten. Deze trajecten moeten zorgen voor een nieuw inzicht bij de minderjarige en zijn niet echt een behandeling.
    • “Het aanmelden bij een door de gemeenschap georganiseerde dienst van hulpverlening”: gelet op het feit dat op de voorwaarden die op niveau van de jeugdrechter kunnen worden opgelegd niet limitatief zijn,is geen enkel hulpverlenend aanbod, georganiseerd door de gemeenschap, uitgesloten.
  • Tijdens de  voorbereidende rechtspleging kan de jeugdrechter een jongere tenslotte ook plaatsen in een gemeenschapsinstelling wanneer er nood is aan geslotenheid in antwoord op een delict.
  • De jeugdrechtbank beschikt over dezelfde mogelijkheden tijdens de rechtspleging ten gronde als de jeugdrechter onder de vorm van een ‘ambulante sanctie’ of als ‘voorwaarde’.

De decreetgever koos er voor om voor feiten voor 1 september 2019 waar voorlopige maatregelen lopen alles onder het oude systeem te houden dwz dat zowel het maatregelpakket als de mogelijkheid tot herziening zoals die van toepassing was op het ogenblik van het opleggen van de maatregel, van toepassing blijven zolang de voorbereidende fase duurt. Dit houdt in dat een lopende maatregel bevestigd, ingetrokken of vervangen kan worden door een maatregel uit de Jeugdbeschermingswet.

Dezelfde overgangsregeling geldt voor genomen maatregelen ten gronde maw wanneer een maatregel ten gronde, opgelegd voor 1 september 2019, doorloopt na 1 september 2019, dan verloopt de herziening eveneens volgens het vroegere artikel 60 van de Jeugdbeschermingswet. Dit houdt in dat een lopende maatregel ten gronde bevestigd, ingetrokken of vervangen kan worden door een maatregel uit de Jeugdbeschermingswet, en met toepassing van de regels van de Jeugdbeschermingswet.

De invulling van het overgangsrecht werd gemaakt om de transitie van ‘oud’ naar ‘nieuw’ binnen een redelijke termijn te realiseren.

Start er een nieuwe fase in de rechtspleging en wordt de jongere na 1 september 2019 ten gronde berecht (moment van vonnis ten gronde), dan worden de sancties van het nieuwe decreet toegepast. Gelet dat een aantal mogelijkheden in het nieuwe decreet bijvoorbeeld ‘als strenger’ zouden kunnen geïnterpreteerd worden (bijvoorbeeld het aantal uren leerproject/gemeenschapsdienst,…) moet rekening worden gehouden met het verbod op ‘retro-activiteit van de strengere straf’.

De voorwaarden van het Openbaar Ministerie (OM) zijn limitatief. Het OM stelt deze voor aan de minderjarige en de ouder(s) of opvoedingsverantwoordelijke. Er is sprake van maximale instemming, vrijwilligheid de minderjarige. Het werken met voorwaarden biedt de kans voor de minderjarige om zich te engageren om zo een doorstroom dieper in het gerechtelijk systeem te vermijden

De minderjarige en zijn/haar context zijn zelf verantwoordelijk om te bewijzen dat ze de voorwaarden naleven. Dit gebeurt in samenspraak met de diensten die instaan voor de uitvoering van de voorwaarden. De filosofie hierachter: de instemming en het constructief opnemen van de verantwoordelijkheid door de minderjarige en zijn context (zie artikel 2van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 april 2019 tot inrichting van de gemeenschapsinstellingen en tot uitvoering van diverse bepalingen van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht.

Concreet betekent dit dat volgende diensten mee instaan voor de opvolging van de voorwaarden:

  • het volgen van een schoolse of professionele vorming of opleiding: school of vormingsinstelling;
  • het volgen van een leerproject (maximaal dertig uur): dienst herstelgerichte en constructieve afhandeling (HCA);
  • de richtlijnen volgen van een ambulant centrum voor geestelijke gezondheidszorg, voor seksuele opvoeding of een centrum voor de behandeling van alcohol- of drugsverslaving (maximaal dertig uur): het ambulante centrum, bijv. Centrum Geestelijke Gezondheidszorg, een Centrum Algemeen Welzijnswerk, een ambulante dienst binnen de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg,…
  • het aanmelden bij een door de gemeenschap georganiseerde dienst van hulpverlening: de erkende dienst die de hulpverlening uitvoert.

Na het uitvoeren van de voorwaarden, wordt een ‘verslag’ gemaakt waarin minimaal de identificatie, de aanwezigheid en de voortgang van de jongere wordt besproken. Dit verslag wordt toegevoegd aan het dossier en geldt als ‘attest’ dat de voorwaarden gevolgd werden. De Procureur des Konings bepaalt aan de hand van dit verslag of de jongere de vastgelegde voorwaarden heeft nageleefd. Op basis daarvan maakt hij een proces-verbaal op en vervalt de strafvordering.

Opm. Voor het toezicht op het naleven van een plaats- en contactverbod (art. 11, § 1, 1° en 2°) wordt nog steeds de politie ingeschakeld.

De situatie blijft zoals voorheen. Jongeren met een beperking, bijvoorbeeld een ernstige gedrags- en emotionele problematiek, kunnen in de gemeenschapsinstellingen geplaatst worden als verdachte of na het plegen van een jeugddelict. Er wordt op maat gekeken wat nodig is, bijvoorbeeld de zogenaamde GIB-leefgroepen.

Indien de minderjarige blijvend handicapspecifieke ondersteuning nodig heeft, is een gedeeld traject mét de voorziening waar de jongere aangepaste zorg kreeg of kan krijgen, het ideale traject.